Haya van Someren, de eerste vrouwelijke Kamerlid dat moeder werd tijdens haar termijn, laat trots haar pasgeboren kind zien (1965).
Een groeiend aantal politici beklaagt zich over de vermeende discriminatie die (vrouwelijke) volksvertegenwoordigers zou treffen wanneer zij er voor kiezen om een zwanger te blijven en een kind ter wereld te brengen. Zo vroegen Romana Lenarduzzi, Janette Prins en Fauzia Mahomedradja – verbonden aan de vrouwennetwerken van respectievelijk (voormalig) PvdA, ChristenUnie en VVD – zich begin dit jaar in De Volkskrant af of we “nog in de jaren vijftig” leven.
Hoewel het een terecht discussiepunt is hoe een volksvertegenwoordiger bij ziekte of andere omstandigheden, die het uitoefenen van diens mandaat beperken, de taken (tijdelijk) aan een ander kan delegeren, getuigt de framing dat vertegenwoordigers bij zwangerschap “ontslag” zouden moeten nemen van een fundamenteel onjuist begrip van wat een volksvertegenwoordiger is. Lenarduzzi et al. gaan zelfs zo ver de leugen de wereld in te helpen dat Artikel 57a van de Grondwet “expliciet” stelt dat een zwangere volksvertegenwoordiger niet mee mag doen, hetgeen in het geheel strijdig is met de werkelijkheid1. Ze stellen nota bene dat “[v]oor alle werknemers in Nederland […] verlof wettelijk geregeld [is], behalve voor onze volksvertegenwoordigers”, terwijl Artikel 57a juist aan de Grondwet is toegevoegd om dat “zwangerschapsverlof” wettelijk te kunnen regelen.
Het vergelijken van deze praktische uitdagingen met werknemers of deze zelfs kwalificeren als institutionele discriminatie verhult het werkelijke probleem dat ten grondslag ligt aan de omgang met vrouwen die er voor kiezen om zwanger te blijven en een kind ter wereld te brengen. In dit essay leest u waarom.
Een volksvertegenwoordiger is geen werknemer en kan niet ontslagen worden
Woorden hebben een betekenis en de betekenissen van “werknemer” en “volksvertegenwoordiger” zijn fundamenteel verschillend. Een werknemer heeft een arbeidsverhouding met een werkgever. Aan die arbeidsverhouding ligt een contract ten grondslag waarin de partijen overeenkomen tot de levering van arbeid (de “prestatie”) in ruil voor een bepaald salaris. Er bestaat een gezagsverhouding tussen de werkgever en de werknemer. Deze arbeidsverhouding wordt gereguleerd door wet- en regelgeving en belast zowel de werkgever als de werknemer met bepaalde rechten en plichten.
Een volksvertegenwoordiger voldoet aan geen van deze criteria. Een volksvertegenwoordiger heeft een mandaat om (voor de verkozen termijn) deel te nemen aan een vertegenwoordigend orgaan (zoals het parlement) en deze deelname is “zonder last”. Dit betekent dat er – in tegenstelling tot een werknemer – helemaal niemand is om een volksvertegenwoordiger te “ontslaan” of “verlof” te verlenen. Een volksvertegenwoordiger is vrij om zonder consequenties niet deel te nemen aan stemmingen of überhaupt te komen opdagen. Zo was PVV-parlementariër Vincent van den Born vrijwel nooit aanwezig in de Tweede Kamer. De enige consequentie die mogelijk volgt is dat een volksvertegenwoordiger bij de volgende verkiezingen niet op de kandidatenlijst komt (waarover later meer). Een volksvertegenwoordiger verricht dus geen arbeid (als in prestatie tegen een vergoeding) maar heeft een mandaat, dat het naar eigen inzicht kan invullen.
Een volksvertegenwoordiger die ervoor kiest om zwanger te blijven en een kind ter wereld te brengen is er dus ook zelf verantwoordelijk voor om er rekening mee te houden dat het in aanloop naar, tijdens en na de bevalling vanwege fysieke omstandigheden diens mandaat verminderd kan uitoefenen. Dit weet een werknemer overigens ook en het is de normaalste zaak van de wereld dat die werknemer in samenspraak met diens werkgever de taken tijdelijk aan een ander delegeert. Het gesprek over de wettelijke mogelijkheden voor volksvertegenwoordigers om hun mandaat te delegeren is zeer terecht, maar dat geldt niet alleen voor zwangere of pas bevallen volksvertegenwoordigers. Dit geldt voor alle volksvertegenwoordigers die om wat voor reden dan ook niet aanwezig kunnen zijn bij een beëdiging of stemming.
Daarbij is wel een kleine nuance vereist. Begin 2025 beklaagde Statenlid Marleen Maat (GroenLinks-PvdA) zich dat – vanwege haar zwangerschap – de Commissaris van de Koning haar tijdelijk had “ontslagen” als lid van de Provinciale Staten. Nu is het volstrekt ongeloofwaardig dat mevrouw Maat er zelf niet voor zou hebben gekozen om haar mandaat tijdelijk op te geven in verband met de bevalling en de nasleep daarvan, maar zo’n beslissing mag natuurlijk niet eenzijdig door de Commissaris worden aangezegd. Een volksvertegenwoordiger moet ook vrij zijn om zichzelf in aanloop naar en na een bevalling niet te laten vervangen.
Wat in ieder geval vast staat is dat een volksvertegenwoordiger geen zwangerschapsverlof nodig heeft, omdat het aan niemand iets verplicht is. Als je een mandaat zonder last hebt, hoef je geen “verlof” (toestemming om afwezig te zijn) te vragen of te krijgen. Je kunt simpelweg, autonoom, besluiten niet aanwezig te zijn in het vertegenwoordigende orgaan waar je een mandaat hebt. Wie vervolgens “verlof” eist, behandelt het volksvertegenwoordigerschap alsof het een simpele kantoorbaan is is, en miskent daarmee de absolute zwaarte en de aard van het democratische mandaat. Vandaar: ze begrijpen ons democratisch bestel niet. De mogelijkheden verruimen om dit mandaat (tijdelijk) te delegeren blijft uiteraard een terecht discussiepunt.
Toevallig een vrouwelijk lichaam hebben maakt zwangerschap geen onontkoombaar lot
Een ander problematisch frame is dat het gebrek aan mogelijkheden voor volksvertegenwoordigers om bij zwangerschap hun mandaat (tijdelijk) te delegeren is dat het discriminatie van vrouwen zou betreffen. Kennelijk staat zelfs voor feministen het toevallig hebben van een vrouwelijk lichaam gelijk aan moeder worden. In een land waar abortus legaal is, is moeder worden een welbewuste keuze. Zelfs als het dat niet was, is het ter adoptie afstaan van een baby een mogelijkheid.
Dat moeders (zwangeren) om wat voor reden deze keuze niet willen maken, doet niets af aan de vrijheid waarin die keuze gemaakt kan worden. Voor zover er sprake zou zijn van uitsluiting, baseert dit zich dus op de welbewuste keuze om een kind ter wereld te brengen, niet op het toevallig hebben van een vrouwelijk lichaam, want een vrouwelijk lichaam hebben maakt het ter wereld brengen van een kind geen onontkoombaar lot.
Voor een werknemer geldt zelfs dat – strikt genomen – een zwangerschap het willens en wetens zichzelf ongeschikt maken tot het leveren van de bedongen arbeid is. In andere gevallen zou dat een reden voor ontslag zijn, maar om evidente redenen geldt er voor zwangerschap een uitzondering (de samenleving heeft baat bij broedmachines volgens technocraat-liberalen en het heilige recht om een gezin te stichten volgens confessionelen). Met betere argumenten bestaat er ook zoiets als antidiscriminatiewetgeving en betaald zwangerschapsverlof, omdat de praktijk leert dat vrouwen anders uitgesloten van deelname aan het economisch verkeer worden, hetgeen hun economische zelfstandigheid en daarmee hun vrijheid aantast.
Dit alles is niet van toepassing bij volksvertegenwoordigers omdat – zoals ook in de vorige sectie gesteld - zij zich aan niemand hoeven te verantwoorden. Anders dan het eenzijdig tijdelijk opschorten van het mandaat (zoals de Commisaris van de Koning deed bij mevrouw Maat), kan niemand aan een volksvertegenwoordiger eenzijdig consequenties opleggen vanwege een zwangerschap. Betere mogelijkheden om het mandaat te delegeren is een belangrijk streven, maar ook zonder dat die mogelijkheden bestaan en simpelweg niet verschijnen in het vertegenwoordigende orgaan, heeft dat geen enkele consequentie voor het mandaat van de volksvertegenwoordiger.
Een werknemer heeft arbeidsrechtelijke bescherming nodig omdat het gebrek daaraan aantoonbaar leidt tot uitsluiting. Een volksvertegenwoordiger kan niet uitgesloten geworden, want diens mandaat is onaantastbaar. Dit mandaat is dusdanig onaantastbaar dat een volksvertegenwoordiger zich kan afsplitsen van diens fractie en simpelweg weigeren de zetel op te geven.
Kennelijk voelen volksvertegenwoordigers die er voor kiezen om zwanger te blijven en een kind ter wereld te brengen zich, ondanks hun grondwettelijke bescherming, toch niet vrij of veilig om dat te doen. De dwingende conclusie is dat als er absolute bescherming bestaat (het onaantastbare mandaat), die haar grondslag vindt in de wet, en deze volksvertegenwoordigers toch nadelige consequenties ondervinden bij een zwangerschap, deze consequenties in ieder geval niet uit de wet komen. Het Kennispunt Lokale Politieke Partijen is er glashelder over:
Wanneer je als raads- of Statenlid zwanger of langdurig ziek bent, kún je tijdelijk ontslag aanvragen, maar het hoeft niet. Het is een recht, geen plicht. Je kunt hier als fractie wel over praten of afspraken over maken, maar alleen het raads- of Statenlid zelf kan het ontslag aanvragen.
De meeste volksvertegenwoordigers hebben in de praktijk helemaal geen zelfstandig mandaat
Het werkelijke probleem ligt niet in de praktische uitdagingen die ontstaan wanneer een volksvertegenwoordiger vanwege zwangerschap uitvalt. Zelfs bij een eenzijdige opschorting van het mandaat en tijdelijke vervanging, zoals in het geval van mevrouw Maat, wordt de schadeloosstelling (het “salaris”) onverminderd doorbetaald. De volksvertegenwoordiger verliest diens mandaat niet en behoudt tijdens het tijdelijk “ontslag” de vergoedingen. Het werkelijke probleem ligt niet in de wet, maar bij de politieke partijen zelf.
De verklaring van Queenie Rajkowski (VVD) die ze in 2023 aan RTV Utrecht gaf is hierin veelzeggend2. Rajkowski stelt dat indien zij haar mandaat niet kan uitoefenen en niet vervangen kan worden de VVD het dan met een zetel minder zou moeten doen. Kennelijk zijn volksvertegenwoordigers in de praktijk toch niet zonder last, althans mevrouw Rajkowski, want er verschijnt nu plotseling een nieuwe entiteit waar de volksvertegenwoordiger zich blijkbaar toe moet verhouden: diens politieke partij. Tussen neus en lippen door maakt Rajkowski hier kenbaar dat ze zich niet alleen aan haar kiezers moet verantwoorden, maar ook aan haar partij. Voor andere volksvertegenwoordigers zal dit waarschijnlijk niet anders zijn.
Staatsrechtelijk gezien is het mandaat van een volksvertegenwoordiger van die volksvertegenwoordiger zelf. In de praktijk werkt het natuurlijk niet zo. Er zijn maar weinig vertegenwoordigers die zelfstandig genoeg stemmen halen om een mandaat (zetel) te verkrijgen, zoals Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) in 2025 deed. Andere volksvertegenwoordigers stonden gewoon als kandidaat op een kieslijst, die door hun politieke partij bij de Kiesraad werd ingediend, en de overtollige stemmen op de lijsttrekker worden vervolgens op volgorde over de kandidaten verdeeld. Hoe kregen ze een plek op die lijst? In de meeste gevallen per decreet van een partijcommissie, dat nadien nog oppervlakkig werd bijgestuurd door de leden van de partij. Soms gebeurt het op decreet van de partijleider zelf. Binnen D66 gaat het gerucht dat Rob Jetten er persoonlijk voor zou hebben gekozen om Nathalie van Berkel op nummer twee van de kandidatenlijst te zetten.
Het werkelijk probleem zit niet in de onpraktische regelingen omtrent zwangerschap. Het zit in de wijze waarop volksvertegenwoordigers hun mandaat verkrijgen. In 1966 schreef Hans van Mierlo, samen met de andere stichters van D66, al in het Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie:
In het stemhokje maakt u het bovenste vakje rood van de partij die u zint. Dat is het vakje van de lijstaanvoerder [….] De parlementariër heeft slechts een band met zijn partij want die heeft hem op een verkiesbare plaats gesteld.
In werkelijkheid is een volksvertegenwoordiger dus wel degelijk onderworpen aan een (informele) gezagsverhouding, namelijk met de politieke partij die hem of haar op een kieslijst plaatste. Zelfs een vertegenwoordiger die feitelijk wel een zelfstandig mandaat heeft, zoals mevrouw Vellinga-Beemsterboer, maakte gebruik van de faciliteiten die D66 haar heeft geboden. Een zwangerschap – en het eventuele uitval van de volksvertegenwoordiger daardoor – vindt plaats in deze gezagsverhouding. En dat is ook de enige plek waar er dwingende (negatieve) consequenties als gevolg daarvan kunnen plaatsvinden.
Partijcultuur moet zwangerschap simpelweg accepteren en incalculeren
Dat er voor volksvertegenwoordigers praktische uitdagingen bestaan in het zich laten vervangen bij zwangerschap (of langdurige ziekte) is een zijdelings vraagstuk. Theoretisch genomen kan een volksvertegenwoordiger die (vanwege lichamelijke omstandigheden) niet kan deelnemen aan een vertegenwoordigend orgaan, kiezers ook niet noodzakelijk overtuigen om bij de volgende termijn opnieuw op hem of haar te stemmen. Wie er niet is, wordt simpelweg vergeten door de kiezer.
Nu vastgesteld is dat in de meeste gevallen de volksvertegenwoordiger diens mandaat helemaal niet (direct) van de kiezer heeft gekregen, ligt het probleem definitief in de partijcultuur, die kennelijk niet inclusief genoeg is om te accepteren dat vertegenwoordigers tijdelijk minder beschikbaar kunnen zijn vanwege lichamelijke omstandigheden. Kennelijk bestaat er binnen politieke partijen waarin nader te identificeren derden een bepaalde “prestatieverplichting” opleggen aan hun volksvertegenwoordigers en volgen er consquenties bij het verzuim aan deze verplichting te voldoen. Tot zover “zonder last”.
Zwangerschap is (voor veel mensen) een fundamenteel aspect van het menselijk bestaan. Het niet incalculeren van deze omstandigheid is in beginsel strijdig met de biologische capaciteiten van het lichaam dat sommige individuen (vrouwen) hebben gekregen van de zygote waaruit zij voortkwamen. Dat een fractie minder werk gedaan krijgt indien een volksvertegenwoordiger vanwege deze lichamelijke omstandigheid minder aanwezig is, moet zij simpelweg maar incalculeren in haar bedrijfsvoering.
Baas in eigen buik werkt beide kanten op. Net zoals de fractie van een politieke partij zich erbij neer dient te leggen wanneer een vrouw de zwangerschap afbreekt, dient de fractie van een politieke partij zich er ook bij neer te leggen wanneer een vrouw de zwangerschap voortzet. Het mandaat van een volksvertegenwoordiger is zonder last, grondwettelijk beschermd, en het simpelweg niet aanwezig zijn in een vertegenwoordigend orgaan is een recht dat voortvloeit uit dit soevereine mandaat. Van rechtswege verliest een volksvertegenwoordiger dit mandaat in ieder geval niet vanwege een zwangerschap.
Een werknemer kent rechtsbescherming tegen ontslag bij (geanticipeerde) zwangerschap. Welke bescherming heeft een volksvertegenwoordiger zonder eigen mandaat tegen deze vorm van discriminatie? Geen. Dat de regelingen omtrent zwangerschap (en langdurige ziekte) soepeler mogen is een praktisch vraagstuk dat in het geheel niets met discriminatie te maken heeft. Het systemische probleem zit in het gekonkel van politieke partijen met het mandaat van de kandidaten op de kieslijsten. Daarom schreven Hans van Mierlo et al. in 1966 het Appèl aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie.
Artikel 57a van de Grondwet is juist ingevoerd om “zwangerschapsverlof” mogelijk te maken en zich tijdelijk te laten vervangen, om te voorkomen dat volksvertegenwoordigers hun mandaat in het geheel moesten opgeven.
Bij mevrouw Rajkowski speelde overigens wel een ander probleem, namelijk dat zij bij haar installatie hoogzwanger was en uitgerekend op de datum van haar installatie. Hierdoor zou de VVD het tijdelijk met een zetel minder moeten doen. Dit is echter een probleem van de politieke partij en niet van de volksvertegenwoordiger zelf.


