Dit is het voorwoord van het epische werk Jacobijns liberalisme, dat de malaise van de liberale orde adresseert en een nieuw revolutionair elan voorstelt in het liberale denken.
Het liberalisme heeft de sluier van onwetendheid over zichzelf laten neerdalen en is vergeten waar het vandaan komt, hoe het hegemoniaal werd, en vooral wat er zónder liberale orde is. Ergens in dit werk zult u bijvoorbeeld lezen dat de zware artillerie een donderend koor is, dat het einde van de tirannie bezingt, als de symfonie van de bevrijding. Is dat extreem ? Voor de Oekraïners is de grens tussen vrijheid en onderwerping in ieder geval exact 155 millimeter breed. In het westelijker Europa is het liberale vuur kennelijk ooit gedoofd. Het liberalisme is op sterven na dood. Daarom is er een interventie nodig.
In zijn boek Liberalism and its discontents (2022) definieert de eminente Francis Fukuyama het liberalisme als een doctrine die halverwege de zeventiende eeuw ontstond en beoogde de rechten van het individu te beschermen. Het vertakte zich sindsdien in verschillende politieke overtuigingen, die een diepe waardering voor de fundamentele waarde van gelijke individuele rechten, de rechtsstaat en de vrijheid met elkaar delen. Hij sluit in zijn definitie van het liberalisme ook een aantal stromingen terecht uit, die in het dagelijks taalgebruik wel aangeduid worden als liberalen. Dat zijn de Amerikaanse progressieven, de staatsvijandige libertariërs en de Europese centrumrechtse bewegingen die zichzelf slechts definiëren door tegen de verzorgingsstaat te zijn. Daaraan voeg ik nog de politieke stroming toe die de vrije markt boven alles verafgoodt: neoliberalen en hun afschuwelijke ketterijen. Zoals de meeste liberalen verzuimt Fukuyama echter om expliciet te maken wat deze fundamentele waarden moeten beschermen : het lijdende, hongerende en bloedende lichaam van het kiezende individu. Fukuyama schrijft over het liberalisme :
I believe that liberalism is under severe threat around the world today; while it was once taken for granted, its virtues need to be clearly articulated and celebrated once again.
Voor u ligt daarom het meest bloederige manifest in de naoorlogse liberale geschiedenis. Waarom ? Omdat liberalen vergeten zijn dat al hun kroonjuwelen uiteindelijk wortelen in een bloedbad. Hun Verenigde Naties, het Concilie van de Objectieve Moraal, zijn tenslotte gebouwd op de as van Dresden en Dachau, hun democratieën zijn gesmeed door gewelddadige revoluties en hun ideologie is de intellectuele erfenis van koningsmoordenaars en slavenbevrijders, die zichzelf tooiden met nietsverhullende bijnamen als « de persoonlijke vijand van God ». De lijken van tirannen en de puinhopen van Dresden zijn de compost waarop de prachtige bloemen van het Hof van Vrijheid tot bloei kwamen. De liberale rechtsstaat is geen vredesproject. Het is de buit van een gewonnen oorlog. Vrijheid kwam tot stand door te vernietigen wat er tegen was, zoals het Licht slechts het Duister verjaagt zolang de bron energie krijgt. Maar thans staan barbaren van velerlei snit weer aan de poort, of struinen zij zelfs ongehinderd door het Hof van Vrijheid, terwijl de vuist der vrijheid zich laat knechten door postmoderne twijfel en defaitistisch relativisme. Historici hebben de whig history inmiddels verworpen, het idee dat de geschiedenis een mythische kracht is die mensen van het premoderne duister vanzelf naar rede, vrijheid en gelijkheid drijft, maar heimelijk houden liberalen er met de passie van Jehova’s Getuigen aan vast.
Vrijheid is geen machtsvrije consensus : vrijheid is hegemonie. Het is een onweerlegbare natuurkundige vergelijking : zolang er vijanden van vrijheid zijn die een kracht achter onvrijheid zetten, moet er een gelijkende tegengestelde kracht achter vrijheid staan om die vrijheid te behouden. De vrijheid om openlijk homoseksueel te zijn bestaat dan ook slechts door het vernietigen van de politieke orde die daartegen was en het domineren van degenen die deze vrijheid weer willen terugdraaien. Hoe gaat het overigens met de homoacceptatie in Amsterdam, het huis van Spinoza, en de homohoofdstad van Europa ? Wanneer de bloem der Vrijheid geen compost meer krijgt, dan zal onkruid haar overwoekeren, in naam van overlappende consensus en verbinding. Emancipatie is echter geen consensus, want er kan geen consensus zijn over wat een individu met zijn eigen lijdende, hongerende en bloedende lichaam mag doen; emancipatie is destructie.
In de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie van 1789 circuleerden er allerlei pamfletten over de vermeende incest en andere seksuele perversies van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette. Tegenwoordig gebruikt men geen pamfletten meer maar het internet, waar een levendig vertoog plaatsvindt over de vermeende pedofielennetwerken en kinderhandel van « de elite ». Natuurlijk vindt « de elite » – of « de havermelkelite » zoals ze zichzelf noemen, want niemand anders dan zijzelf gebruikt dat woord – zichzelf beter dan Lodewijk XVI en Marie-Antoinette, die de pamfletten waarschijnlijk « la désinformation » noemden. Zoals de daders van de Toeslagenaffaire jarenlang volhielden : zo zijn wij niet. « We willen toch verbinden met alle mensen ? » zou Erich Mielke erover zeggen. Kennelijk beseft de bestuurlijke klasse, waarin liberalen en progressieven domineren, nog steeds niet dat zij al haar politieke en morele legitimiteit is verloren.
De liberale orde, en de progressieve beweging in het bijzonder, liggen al meer dan twintig jaar onder vuur van rechtspopulisten, wappies en soevereinen. Er is nooit echt een antwoord op deze kritieken geweest, anders dan op een goede dag de holle belofte om inclusiever te worden en op een slechte dag de eenvoudige constatering dat zij moreel laakbare achterlijken zijn. Misschien had Lodewijk XVI de Franse Revolutie kunnen voorkomen indien hij factcheckers had gehad. Hij koos echter voor de censor, net zoals moderne liberalen en progressieven de censor overwegen. Marie-Antoinette trok zich terug, om zich af te vragen waarom het volk dan geen taart at, als er geen brood is. Haar progressieve erfgenamen vragen zich af waarom het volk dan niet in goede bedoelingen woont, als er geen woningen zijn. Wie heeft er immers bestaanszekerheid nodig, als je empathiezekerheid hebt ? De liberale bourgeoisie beweert tegenwoordig zich bewust te zijn van haar privileges en noemt zichzelf havermelkelite, alsof zij geen culturele machtsstructuur zou vormen, en het slechts om een voorkeur voor een bepaald soort koffie zou gaan, terwijl voor miljoenen mensen de prijs van smerige oploskoffie al een overweging is geworden.
Een aanzienlijk deel van de bevolking lijkt ook te denken dat zij « links » of « rechts » kunnen zijn, woorden die geen betekenis hebben (empty signifiers), in tegenstelling tot bijvoorbeeld « top » en « bottom ». Bizar is het eigenlijk, hoe een ongedefinieerde politieke voorkeur als een mes door de samenleving snijdt en politiek reduceert tot banaal tribalisme zonder verheven idealen. Het is een jas die men aantrekt, een sociale marker die doet denken aan de tijd dat de sociale apartheid van de Verzuiling nog haar schaduw over ons land wierp. De top en de bottom weten tenminste nog wat zij lekker vinden en welk doel zij nastreven.
Het liberalisme lijkt in de eenentwintigste eeuw echter een stuurloos schip, dat slechts meedeint op de golven van de volgende internationale crisis, het rechtspopulisme, de ontwrichtende invloed van techbedrijven en het tanende vertrouwen in publieke instituties. Na meer dan honderd jaar deconstructie lijken liberalen er bovendien nog weinig vertrouwen in te hebben dat de ondeelbare vrijheid van het individu superieur is aan het dogma en obscurantisme die haar uitdagen. Fukuyama stelde dat de liberalen hun waarden ondubbelzinnig moeten benadrukken en vieren. Toch klinkt de taal van opiniestukken, congressen en theekransjes aardig passief voor de denker die ooit de branie had om het einde van de geschiedenis te verklaren, en daarbij nota bene zelf waarschuwde dat deze triomf zou leiden tot de malaise waar de liberale orde zich dertig jaar later in bevindt. Ik stel daarom drie simpele vragen :
Wat is het liberalisme voor de vrije samenleving ? – Alles.
Wat betekent het thans nog daarvoor ? – Niets.
Wat verlangt het liberalisme te zijn ? – Iets.
De liberale orde is het gewapende staatsapparaat en de culturele hegemonie die de vrije samenleving – het geheel van vrije individuen die zich in vrijheid tot elkaar verhouden – beschermt en zonder liberalen zal er geen liberale orde meer zijn. Liberalen komen natuurlijk in vele denominaties, waaronder neoliberalen, klassieke liberalen, sociaalliberalen, progressief-liberalen en sociaaldemocraten. Zij verschillen slechts in hun politieke esthetiek, hun visie op de relatie tussen de staat en de economie, of de methoden waarmee zij de liberale doelstellingen werkelijkheid trachten te maken. Ook de sociaaldemocraten, net als de formeel liberale denominaties, delen de fundamentele overtuiging dat de vrijheid van ieder individu het absolute uitgangspunt is; slechts de manier om dat te bereiken is het brandpunt van politieke onenigheid. Tezamen vormen zij het Huis van de Verlichting. Althans, voor zover het politiek-filosofen betreft.
Er was eens een minister van emancipatie die zichzelf over huwelijkse gevangenschap de vraag stelde : wat is vrijheid eigenlijk ? Dergelijk defaitisme gaat in ieder geval het liberalisme niet helpen om iets te zijn. Liberalen waren ooit de architecten van het Hof van Vrijheid, om zich na het einde van de geschiedenis te gedragen als tuinmannen. Deze technocraten hebben geen antwoord op de vijanden van de liberale orde, anders dan meer spreadsheets en sociologische verklaringen over het stemgedrag van de exotische Ander, het electoraat van rechtspopulistische partijen. Vooralsnog opereren de vijanden van vrijheid in het speelveld van de liberale democratie en de rechtsstaat, al denken liberale politici kennelijk dat deze een soort perpetuum mobile zijn. Zij staan erbij en kijken ernaar, om de procedure te beheren met machtsvrije dialoog, zichzelf prijzend met de overlappende consensus die zij menen gevonden te hebben, omdat het besluit waar niemand tevreden over is, het beste democratische besluit zou zijn. De liberale politicus vult op zijn spreadsheet in hoeveel tanks er aan de grens met Oekraïne staan, om vervolgens verrast te zijn dat rupsbanden zich niets aantrekken van een lijn op een landkaart.
Wat is het liberalisme nog voor de vrije samenleving ? Niets ! Het is daarom tijd voor een liberale levée en masse. Daarom heb ik dit werk voor u geschreven, met de grandeur die het liberalisme verdient, en de esthetiek van een negentiende-eeuwse dandy. Waarom ? Jullie zijn in de eerste plaats saai.
Op het D66-congres vroeg een ander lid eens aan mij of ik ging luisteren naar de toespraak van de partijleider. Ik zei dat ik die vijf congressen geleden al had gehoord, aangezien slechts het geslacht van de partijleider veranderde, evenals de volgorde van de toverwoorden van inclusie en positiviteit. Zelfs de flauwe grapjes van Geert Wilders in het parlement zijn oneindig veel interessanter dan een gemiddeld liberaal vertoog. Liberalen maken vooral grappen door serieus te nemen wat ze zelf zeggen, bijvoorbeeld door op de meest elitaire plekken witte mensen bij elkaar te verzamelen om triomfantelijk te vertellen hoe inclusief en divers de partij wel niet is geworden. Het waardigt en behaagt mij daarom dit liberaal vertoog te schrijven met passie, de bevlogenheid waarnaar liberalen in de wandelgangen zeggen te smachten, om het Huis van de Verlichting te verenigen onder een nieuw liberaal stramien : het jacobijns liberalisme.
De kwalificatie jacobijns doet aristocraten, theocraten en andere tirannen sidderen, roofkapitalisten verstijven en liberalen historische ongeletterdheid veinzen. De Jacobijnen waren een universalistische factie tijdens de Franse Revolutie die rechtstichtend geweld niet schuwde om de tentakels van het oude regime – dat van Lodewijk XVI – te amputeren, alsmede die van de geestelijkheid en de koloniale lobby. Zij maakten geen onderscheid op basis van onverkozen eigenschappen : iedereen was citoyen, burger. De jacobijnse schaduw deed de Nederlandse stadhouder-usurpator Willem V in 1795 naar Engeland vluchten en in 1848 zijn kleinzoon koning-usurpator Willem II capituleren voor Johan Thorbecke, zodat de eerste Nederlandse parlementaire democratie tot stand kwam. Het waren de Jacobijnen die als eersten slavernij universeel afschaften, de val van aristocratieën door heel Europa in gang zetten en als eersten in een Europees parlement een zwarte man als wetgever ontroerd in hun midden verwelkomden met accolades fraternelles.
Moderne liberalen kennen de Jacobijnen vaak uitsluitend van het schrikbewind van 1792–1794, ook wel bekend als de Terreur. Nadat aan het licht was gekomen dat Lodewijk XVI samenspande met buitenlandse aristocraten om de Revolutie ongedaan te maken, lieten de Jacobijnen hem in 1793 executeren, tot grote onvrede van de bourgeoisie. Toen hun politieke tegenstanders later dat jaar tijdens een volksopstand dreigden om Parijs in de as te leggen, grepen de Jacobijnen gesteund door de massa’s de macht. Het leiderschap van de Jacobijnen, dat zich verzamelde in een vleugel die de Montagnards werd genoemd, liet vervolgens ca. veertigduizend vijanden van de revolutie executeren, in het bijzonder de koloniale lobby, aristocraten, priesters, koningsgezinden en voedselspeculanten.
In 1794 volgde er een tegencoup, waarna het jacobijnse leiderschap zelf werd geëxecuteerd en de aristocratie uiteindelijk in 1815 met de Restauratie weer haar zin kreeg; het herstel van de monarchieën en het optuigen een uitgebreide politiestaten om een herhaling van de Franse Revolutie te voorkomen. Het bloedbad van de Terreur is het diepste trauma dat liberalen tot op de dag van vandaag angstvallig verbergen. Men kan zich zelfs op het standpunt stellen dat de gehele moderne liberale filosofie eigenlijk één lange, paniekerige poging is geweest om zich te distantiëren van de guillotine van 1793. Dat de liberalen van de eenentwintigste eeuw liever voor theocraten en tronen kiezen in plaats van de absolute keuze voor vrijheid, wortelt in deze liberale posttraumatische stressstoornis.
Het opmerkelijke aan de – in het bijzonder de liberale – geschiedschrijving is dat de opvolgers van de Jacobijnen zich bedienden van dezelfde terreur en dezelfde guillotine, in het bijzonder onder Lodewijk XVIII, toen de aristocratie in 1814 terugkeerde, maar dat deze zogeheten Restauratie kennelijk een deugd was. Michel Foucault zou vragen : cui bono ? Zou het zo kunnen zijn dat de liberalen van de negentiende eeuw al defaitistisch waren, en zich door de conservatieve volgelingen van Edmund Burke en Joseph de Maistre hebben laten wijsmaken dat een assertief liberalisme noodzakelijk tot een bloedbad leidt, terwijl diezelfde conservatieven er kennelijk geen probleem mee hadden om in naam van God en de troon diezelfde bloedbaden aan te richten ?
De feiten dwingen tot de conclusie dat het probleem niet was dat er onthoofdingen en showprocessen waren. Het probleem was wie daaraan werden onderworpen. De Terreur van burgers tegen de tirannen en de theocraten werd een liberaal trauma, de Terreur van de tirannen en theocraten tegen burgers werd weggemoffeld, om dat nadien als « herstel » te kwalificeren, het Kartel van Wenen van 1815. De liberalen van de negentiende eeuw gaven Karl Marx zijn argumenten in ieder geval op een zilveren dienblad, aangezien zij toen al door lieden als Burke en De Maistre waren gedomesticeerd tot lakeien van het establishment.
Maar waarom dan jacobijns liberalisme ? Op het eerste gezicht lijkt dat na tweehonderd jaar liberaal encanailleren met regenten en koningen natuurlijk een paradox. De Jacobijnen streefden in ieder geval geen persoonlijk gewin na, in tegenstelling tot John Stuart Mill die als koloniaal ambtenaar vurige pamfletten schreef tégen het democratiseren van Brits-India (de Jacobijnen lieten de koloniale lobby arresteren). De Jacobijnen streefden ook geen totalitair doel na, zoals de dictatuur van het proletariaat, de soevereiniteit van God of de oligarchie van het kapitaal. De Jacobijnen verboden gilden, schaften het feodale systeem af en brachten het religieuze establishment op de knieën. Hun doel : de onvoorwaardelijke bevrijding van het individu.
Hoe kon hun nobele streven dan toch ontsporen tot een bloedbad ? De Montagnards – Maximilien de Robespierre en Louis de Saint-Just in het bijzonder – leden aan wat Richard Dawkins een memetisch virus zou noemen : de ontologie van de vermaledijde Jean-Jacques Rousseau. Rousseau geloofde dat vrijheid tot stand kwam door zich te onderwerpen aan een mystiek lichaam dat hij de Algemene Wil noemde, iets dat tegenwoordig bekendstaat als de volkswil of het algemeen belang. Met name Robespierre liet zich in zijn verder nobele streven infecteren door het gif van Rousseau, zoals tegenwoordig veel mensen die het leed van het individu dat toevallig in Gaza woont willen stoppen, zich laten infecteren door het gif van het antisemitisme. Onze eigen polder produceerde overigens een pamflettist van internationale allure, die het nieuwste pathogeen van Rousseau vormt, te weten Rutger Bregman, als superspreader van de Deugd, la vertu zoals Robespierre het zou noemen. Er bestaan immers geen onschuldige filosofen. Zoals Sigrid Kaag eens zei : woorden doen ertoe.
Rousseau, die zich overigens liet inspireren door de profeet Mohammed en zijn samensmelting van spirituele en politieke macht, is door de meeste liberale denkers verworpen, van wie Karl Popper de meest noemenswaardige is. De Proloog van het liberalisme gaat verder op zijn opvattingen in — voor nu doet het ter zake dat er ook een andere denker was die de Jacobijnen, alsmede andere facties tijdens de Revolutie, diep inspireerde : Baruch Spinoza en de Radicale Verlichting. Dit schrijven voert daarom een resectie uit om de Rousseau-tumor uit het jacobijnse lichaam te verwijderen. Waarom ? Fukuyama schrijft over de « berekenende en steriele » aard van het liberalisme, tegenwoordig belichaamd in procedures en spreadsheets, die ertoe leidt dat liberalen in een vegetatieve staat belanden waarin zij denken niets meer te hebben om voor te vechten. Wanneer we de vermaledijde Rousseau uit de jacobijnse vergelijking halen, resten slechts de revolutionaire vechtlust, de daadkracht en de compromisloze verdediging van individuele vrijheid. Dat is exact wat de eenentwintigste eeuw van het liberalisme eist, wil het zijn uitdagers overwinnen.
Het jacobijns liberalisme voorziet liberalen daarom van wat het liberalisme nodig heeft om in deze eenentwintigste eeuw duurzaam te overleven. Dat is de onwrikbare overtuiging dat het gelijk heeft, dat het superieur is aan wat de vijanden van vrijheid beogen, en uitgangspunten die gegrond zijn in de materiële werkelijkheid, in plaats van in de zweverige natuurrechten en objectieve moraliteit van politieke theologen. Als het op de vrijheid van het kiezende individu en diens lijdende, bloedende en hongerende lichaam aankomt, dan is er immers geen enerzijds-anderzijds, context of eurocentrisme. Er zijn geen westerse waarden : er zijn slechts individuen die verlangen naar vrijheid. Het jacobijns liberalisme is daarom universeel — in plaats van etnoliberalen die vrijheid afhankelijk maken van geografische en culturele toevalligheden, de vrijheidsapartheid. Het is een liberalisme dat zich niet verontschuldigt, want vrijheid, gelijkheid en verbinding hoeven zich niet te verontschuldigen.
Met dit schrijven neem ik daarom de taak op mij om dienst te doen als de kwartiermeester van de liberale levée en masse en de intellectuele musketten uit te delen. Het liberalisme moet cultureel, politiek en militair dominant zijn om een vrije samenleving te behouden en te waarborgen dat de vrijheden die het liberalisme nastreeft universeel zijn, niet afhankelijk van de geboorteloterij. Het liberalisme dat op geen, of slechts op één of twee van deze assen domineert, sterft. Vrijheid is niet alleen voor mensen die toevallig geboren worden waar vrijheid al vanzelfsprekend of nastrevenswaardig is : vrijheid is voor iedereen. De strijd voor vrijheid is één en ondeelbaar, universeel en tijdloos.
Naast de ziekte van Rousseau, gaat De proloog van het liberalisme in op de huidige stand van zaken in de liberale politiek. Het analyseert de malaise en gaat terug naar de ontstaansgeschiedenis van het liberalisme, in het bijzonder de mythen die liberalen daarover de wereld in hebben geholpen. Met de ideeën van Spinoza introduceert het een betere basis voor het liberale denken dan de theïstische sprong van John Locke (natuurrechten) of de naturalistische drogreden van Immanuel Kant (objectieve moraliteit). Het rekent ook af met de joods-christelijke bedriegers en de leugens die zij over de Nederlandse geschiedenis vertellen. Het roept verder liberalen op om weer zelfvertrouwen te hebben en net als de Jacobijn Georges Danton vrijheid op te eisen « voor het hele universum en alle toekomstige generaties ». De conclusie is het jacobijns liberalisme, waar de politiek het primaat heeft en het lijdende, hongerende en bloedende lichaam van het kiezende individu centraal staat. Dit Subject – de formele benaming voor het individu – is een materiële werkelijkheid die geen tegenspraak duldt. Er is geen duimbreed in heel het uitgestrekte domein van ons menselijk leven waarvan het Subject, die aller Soeverein is, niet roept : « Mijn ! » Dát is de zon in het politieke universum van het jacobijns liberalisme. Op basis hiervan definieert deze Proloog het concept van prepolitieke vrijheden — de vrijheden die een politieke orde buiten het domein van politieke besluitvorming plaatst en die alleen kunnen worden herroepen door het vernietigen van de politieke orde.
Daarna volgen een aantal titels. Of dat zelfstandige hoofdstukken of slechts appendices zijn bij de Proloog, heb ik bij het schrijven van dit voorwoord nog niet besloten. Wat maakt het eigenlijk ook uit ? Wat mij betreft noemt u het soera’s ! De eerste soera is Het universele Individu en haar vijanden. Deze soera behandelt de liberale onzekerheid die het gevolg is van meer dan honderd jaar aanvallen op het liberale fundament : het individu. Sommige van die aanvallen waren terecht – in het bijzonder die van de marxisten en de feministen – terwijl andere slechts beoogden de vrijheid van dat individu te vernietigen door het ondergeschikt te maken aan iets anders, zoals die van de communitaristen en de multiculturalisten. Deze soera is zodoende een beknopte catalogus van de vijanden van vrijheid. Het formuleren van een antwoord hierop is het existentiële vraagstuk van het liberalisme.
De tweede soera Herkalibratie van het Subject in een wereld van Wezens en Objecten bouwt het liberale individu opnieuw op aan de hand van feiten en logica. Zoals Kepler de onjuistheden van Copernicus corrigeerde, corrigeert deze soera de naïeve veronderstellingen van vroege liberalen over de aard van het individu, bijvoorbeeld de aanname dat het geen lijdend, hongerend en bloedend lichaam zou hebben. Deze behandelt verder hoe het Subject – het kiezende individu – tot stand komt uit iets dat voorheen een Wezen was, en verankert deze omstandigheden in het mensbeeld van het jacobijns liberalisme. Ten slotte toont deze soera aan dat dit belichaamde, kiezende individu universeel is, en in het geheel geen westerse constructie, waaruit volgt dat het vrije individu in iedere cultuur zich kan manifesteren. Deze soera rekent af met de zwevende, metafysische veronderstellingen die in het dualistische mensbeeld van liberalen zijn geslopen, om tot een monistisch, materialistisch mensbeeld te komen in de traditie van Spinoza. Dit levert een liberaal primaat op dat in onweerlegbare empirie gegrond is en in de universele menselijke conditie, in tegenstelling tot het klassiek liberalisme, of andere politieke overtuigingen die hun grondslag zoeken in God, Natie, Markt, Gemeenschap of Identiteit, en daarmee mensen beogen te onderwerpen aan hun premoderne geloofsartikelen. Elke politieke overtuiging die dit Subject niet centraal stelt, usurpeert de vrijheid van datzelfde Subject, omdat zij de brute laars van de staat zal gebruiken om het te dwingen zich te verhouden tot een abstract, onbelichaamd Spook, hetgeen de hoogste vorm van barbarij is.
De derde soera, De vijf zuilen van de vrije keuze, gaat in op de totstandkoming van keuzes. Voor een politieke ideologie lijkt het wellicht vreemd om een dergelijk existentieel onderwerp te behandelen. De aanvallen op het liberalisme zijn echter ook existentieel : de vijanden van vrijheid vallen niet alleen vrijheid of het vrije individu aan, maar het idee dat dit individu een wezenlijk vermogen tot kiezen heeft. Deze soera is dan ook een weerlegging van de frenologen en eugenisten van de eenentwintigste eeuw — de beleidssociologen, de antropologen en andere deterministen. Vrijheid heeft immers geen zin als men toch niet kan kiezen, en voor zover Spinoza zelf ook een determinist was, is dat inmiddels gecorrigeerd door Simone de Beauvoir en haar gesitueerde vrijheid, omdat vrijheid in relatie tot de materie en tot Anderen tot stand komt. Het ontkennen van dit vermogen is daarom een aanval op de vrijheid zelf. Deze soera ontleedt het innerlijke besturingssysteem in vijf categorieën : de ontologie, de epistemologie, de antropologie, de teleologie en de axiologie. Dit geheel van sociale feiten is wat de keuze van het belichaamde Subject tot stand doet komen. Er bestaan dus geen onschuldige sociale feiten.
Waar de derde soera vrijheid verkent vanuit het perspectief van het kiezende Subject zelf, verkent de vierde soera Van de tirannie van de materie tot de symboolpolitiek, vrijheid in relatie tot de werkelijkheid, de materie waaruit de wereld bestaat en de Anderen die zich daarin begeven. Zij stelt een hiërarchie van vrijheden vast : existentieel (intellectueel, relationeel, materieel), materieel-economisch, sociaal, kapitaal-economisch, politiek en symbolisch. Dat levert een aantal rechtsfilosofische vraagstukken op, die deze soera oppervlakkig verkent, en de verdere uitwerking daarvan aan de loodgieters van de rechtsstaat laat — de rechtsfilosofen. De soera rekent verder af met de illusie van het impliciete sociaal contract en stelt een alternatief model voor, namelijk de performatieve acceptatie van een feitelijk juridisch contract, waaruit vanzelfsprekend volgt dat er ook zoiets bestaat als performatieve negatie, hetgeen bijvoorbeeld eermoordenaars tot vijanden van de staat maakt, in plaats van gewone criminelen.
De vijfde soera Er is een land waar individuen willen wonen schetst een beeld van de vrije samenleving en hoe een werkelijk liberale orde deze vrije samenleving beschermt. Zij gaat daarbij dieper in op andere politieke onderwerpen die van wezenlijk belang zijn, zoals de economie en het eigendomsrecht, de sociale functie van de staat en de verhouding van de staat tot andere staten. Zij vertrekt vanuit het principe dat de Stichters van een politieke orde het geweldsmonopolie over een bepaald territorium opeisen door te vernietigen wat er tegen is, om vervolgens een staat op te richten of te hervormen die zichzelf de vrijheid van het kiezende en lijdende individu ten doel stelt, en dat haar andere doelstellingen ondergeschikt (contingent) maakt aan dit primaire doel. De titel is natuurlijk geen toeval : het is een hommage aan Joke Smit en haar werk Er is een land waar vrouwen willen wonen.
Na deze soera’s volgen er een aantal titels die zeker appendices zijn. De eerste daarvan is Appendix A : Grondwet van de Derde Republiek, die bevat wat de titel suggereert : een voorstel voor de constitutie van een Derde Nederlandse Republiek, inclusief een nieuwe nationale wapenspreuk : Fiat Libertas. De tweede en derde appendix, respectievelijk Appendix B : Executive summary van het jacobijns liberalisme en Appendix C : Standpuntformulier van het jacobijns liberalisme, zijn samenvattingen voor technocraten die geen tijd hebben om politieke filosofie te lezen, waarbij de laatste voor extreem drukke technocraten is bedoeld. Daarop volgt Appendix D : De joods-christelijke bedriegers en hun leugens, een hommage aan de Friezen van Dokkum, waarin de mythe van de joods-christelijke traditie wordt ontmanteld, een traditie die in werkelijkheid slechts een oriëntaals litteken is, dat door een Midden-Oosterse religie is achtergelaten. Ten slotte is er nog een appendix die geen toelichting behoeft : Appendix E : Eed van Haat tegen het Huis van Oranje.
Dit schrijven is de duistere, realistische variant van Fukuyamas Liberalism and its discontents. Het beoogt niet om een geschiedenis van het liberale denken weer te geven, omdat het probleem van het moderne liberalisme exact wortelt in de blinde vlekken, de theïstische aannames en de hypocrisie van datzelfde liberale denken. Dat bracht het liberalisme van een doctrine die de massa’s op de been kon brengen tot een elitaire bestuursideologie voor regenten en usurpators, de lakeien van de macht en de gedachteloze technocraten. Aan hen kan vrijheid in ieder geval niet toevertrouwd worden en daarom brengt dit werk het liberalisme terug waar het hoort : bij het vrije individu. Vrijheid bestaat bij de gratie van opgestoken bajonetten, niet bij die van aktetassen en functies elders. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat liberalen dan maar de guillotine moeten optuigen, maar onverkort dat het liberalisme een nieuwe wapenkamer met intellectuele musketten nodig heeft. Dat is het jacobijns liberalisme.
Gewapend met deze musketten moeten liberalen er weer voor durven kiezen om zélf de geschiedenis te zijn, in plaats van slechts de geschiedenis van de vijanden van vrijheid te beheren met procedures en verbindend, inclusief jargon. Een spreadsheet is geen Groot Verhaal : vrijheid als intergenerationeel project waarin het liberalisme de fakkel van de Verlichting draagt, is dat wel. Niet de vraag of het « hun » cultuur is, doet ter zake : ter zake doet de vraag of het « háár » cultuur is en of zij daar onbelast en in vrijheid voor mocht kiezen. Het jacobijns liberalisme beoogt daarom aan liberalen het zelfvertrouwen terug te geven om goedschiks of kwaadschiks aan de vijanden van vrijheid kenbaar te maken dat het speelveld waarin zij opereren een resultaat is van het liberalisme en van de politieke en culturele instituten die de liberale orde vormen. Het liberalisme verhoudt zich tot deze politieke ideologieën zoals God zich tot de Schepping verhoudt : het liberalisme is het noodzakelijke, al het andere is het contingente. De constitutie, de vrijheid van meningsuiting en vereniging, en de fundamentele rechten waar de vijanden van vrijheid zich op beroepen wanneer hun politieke tegenstanders hen onderwerpen aan de brute laars van de staat, komen niet voort uit hun eigen traditie. Dat zijn de Geboden van het liberalisme, waarvan zij slechts gebruik maken om de liberale orde af te schaffen. Liberalen zijn geen scheidsrechters of beheerders : zij zijn de eigenaars van het stadion, de liberale orde. Dat dwingt tot de conclusie dat wie de liberale orde ondermijnt of beoogt aan te tasten, kwaadschiks met liberalen te maken krijgt.
Het liberalisme heeft immers al genoeg positieve energie gehad. Waar heeft deze positieve energie u gebracht ? Het is tijd voor de duistere romantiek van strijd, conflict en overwinning. Niet alleen vanwege de aantrekkelijkheid van de esthetiek. Het is tijd dat liberalen het werk afmaken dat zij in 1815 hebben laten liggen en het conflict opzoeken met de vijanden van vrijheid die thans de liberale orde uitdagen. De moderne liberaal is geobsedeerd door de wens Beter te zijn dan zijn ideologische vijanden, in plaats van Machtiger. Het is tijd dat liberalen de slavenmoraal van Michelle Obama verwerpen – « when they go low, we go high » – en de jacobijnse herenmoraal omarmen. Vrijheid kwam niet door fatsoen tot stand en zal niet door fatsoen behouden worden. De morele esthetiek van decadente, ijdele regenten zal in ieder geval de kiezer niet overtuigen, laat staan degenen die vrijheid haten. Vrijheid is een Besluit, dat zichzelf rechtvaardigt met het bloed van de martelaren, en de vrije samenleving zal slechts blijven voortbestaan door dat Besluit iedere dag opnieuw te maken.
De liberale levée en masse is een permanente staat van politieke, culturele en intellectuele mobilisatie — en zo nodig militaire. Dit schrijven voorziet het liberalisme van de argumenten om dat te doen, verwerpt de taboes die het liberalisme de eunuch onder de politieke overtuigingen maken, corrigeert de mythes die liberalen zichzelf wijsmaakten, wijst de vijanden van vrijheid aan, en bewijst dat er geen ander vertrekpunt voor het politieke genomen kan worden dan het lijdende, hongerende en bloedende lichaam van het kiezende individu, want elk alternatief voedt zichzelf met datzelfde lichaam, als afgoden die menselijke offers eisen. Voor zover u het jacobijns liberalisme in traditionele termen wilt categoriseren, dan is het sociaalliberalisme met exotische wapens. Het is de chimaera die het liberalisme nodig heeft, hetgeen u naar believen mythologisch of biologisch mag begrijpen.
Het is tijd om de Gordiaanse knoop door te hakken. Liberalen die het lijdende, hongerende en bloedende lichaam van het kiezende individu niet als het absolute, politieke vertrekpunt nemen, zijn geen liberalen meer, want zij streven vrijheid na voor iets anders, meestal een spook, een onbelichaamde Moloch, dat de vrijheid van het universele individu usurpeert. Wanneer de vijanden van vrijheid zich met het liberalisme versieren en vrijheid krijsen om hun belangen veilig te stellen, verzuimen zij immers de vraag te beantwoorden : vrijheid voor wie ? Voor liberalen kan het enige juiste antwoord op deze vraag zijn : het kiezende individu en diens lijdende, hongerende en bloedende lichaam. Fiat Libertas.


Meesterlijk beschreven
het is best bijzonder hoe je zoveel weet te schrijven zonder iets substantieels te zeggen. en nee, D66 is niet liberaal maar gematigd links. een echte liberaal gelooft in de vrije markt. jij bent eerder een soort seculiere progressief. dat mag, maar noem jezelf geen liberaal.